Doorgaan naar hoofdcontent

Demonen en genii

Er is meer tussen hemel en aarde dan wij kunnen bevatten. Dit is natuurlijk een cliché, maar juist daarom niet minder waar. Bij Descartes laten we de moderne filosofie beginnen. De man was aan de ene kant modern en aan de andere kant schatplichtig aan de middeleeuwen en het scholastieke denken. Hij had God nodig om te garanderen dat zijn heldere ideeën waar en betrouwbaar waren. Hij neemt de mens als grondslag en maat van alle dingen. Daarbij maakt hij een splitsing tussen het lichaam/de materie (de uitgebreide zaak) enerzijds en de redelijke ziel (de denkende zaak) anderzijds. Het verenigen van deze tweedeling is waar andere grote denkers na hem zich mee bezig hebben gehouden. Wij leven in een tijd waarin de neurobiologie alles vanuit de werking van de hersenen tracht te verklaren. De schappen van de boekwinkels spreken boekdelen. Het maakt ons zelf verantwoordelijk voor wat we doen, laten en presteren.

Johann Sebastian Bach ondertekende in alle oprechtheid zijn composities met Soli Deo Gratias of SDG (Lat. Alleen aan God de eer). Daarmee gaf hij aan dat hij zijn compositie als werk van God beschouwde. Wij delen God in onze tijd een bescheidener rol toe; onze prestaties zijn over het algemeen onze eigen verdiensten. Keerzijde is dat als wij falen, dat we dan ook zelf verantwoordelijk zijn.

De Oude Grieken en Romeinen hadden daar iets op gevonden: demonen en genii. Dit waren verschillende goden die ons bij tijd en wijle geniale gedachten of heldere inzichten als het ware influisterden. Als het goed uitpakte kon je dat nooit als eigen prestatie betitelen, maar als het slecht uitpakte, had je gewoon pech gehad met je demon of genius.

Zoals Elizabeth Gilbert (auteur van Eat, Pray, Love) in haar TED-talk aangaf, is het een even aantrekkelijk als radicaal idee om geen genie te willen zijn, maar om een genius te willen hebben. Dit is volgens haar een keuze die een ieder kan maken. Een verleidelijk idee.

Reacties

Populaire posts van deze blog

Nikkers en negers in kinderboekjes

Bij het opruimen van onze "rommel" kamer vond ik tussen mijn oude kinderboeken een typisch 60-er jaren boekje: Oki en Doki bij de nikkers door Henri Arnoldus (1919-2002) en Carel Willem (Carol) Voges (1925-2001). Het zijn de kinderboekjes waarmee mijn generatie is opgevoed en die mijn leeftijdgenoten bekend moeten voorkomen.

Nee, de negers slapen niet.
"Jammer, dat de blanke mensen niet op ons eiland komen, anders..."
"Anders aten we ze op!" roepen de negers, die rond de hut van het opperhoofd zitten. "Blanke mensen smaken fijn," zegt het opperhoofd. Hij likt zijn lippen eens af.

Het is het tijdperk van de Bimbo-box, die ik in mijn blog Achter de feiten aan al eens vermeldde. Het is om je wild voor te schamen. Het is pas 50 jaar geleden dat dit soort boekjes bon ton waren. Godfried Bomans (1913-1971) schreef De Avonturen van Pa Pinkelman en ook deze boekjes werden geïllustreerd door Carol Voges. Er was sprake van een mateloze onnozelheid, onwetendh…

In memoriam Jan Jansen

Ik ontving eergisteren het bericht dat dirigent Jan Jansen afgelopen zaterdag 24 mei 2014 op 90-jarige leeftijd is overleden. Van Rose-Rie, zijn dochter die bij mij in het Zuid-Nederlands Kamerkoor zingt, had ik vorige week al gehoord dat het niet goed ging met hem. Toch kwam het bericht van het overlijden onverwacht voor me.

Jan Jansen was een begrip in Tilburg toen ik als 18-jarige jongeman aan het conservatorium kwam studeren. Mijn vrouw Kitty en haar moeder Trudy zongen bij Jan in zijn koren en hij was ook leraar aan het Paulus Lyceum waar Kitty van hem muziekles kreeg. Ik zou hem veel later opvolgen als muziekdocent aan die school. Jan was meer dirigent dan muziekdocent en hij werd geroemd om zijn initiatieven, zijn humor en vakmanschap. Ik keek op tegen Jan en ik heb destijds geen contact met hem (durven) zoeken ondanks het feit dat wij niet ver van elkaar woonden. Daar heb ik wel spijt van maar gedane zaken nemen geen keer. Vorig jaar heb ik hem opgezocht en we hadden een aller…

Het bijzondere van het gewone

'Es gibt keine Wirklichkeit, als die, die wir in uns haben' (Hermann Hesse, Demian)
Doordat Olivia steeds beter gaat praten en ook verbanden gaat leggen en benoemen, wordt mijn fantasie op aangename wijze gestimuleerd. Niet in de betekenis dat ik wegdroom of er zomaar op los fantaseer. Nee, ik realiseer me, door haar opmerkingen, dat de werkelijkheid meer dimensies heeft dan ik met mijn sjabloondenken meen waar te nemen.

Door mijn (levens)ervaring duid ik alles aan de hand van hetgeen ik eerder heb waargenomen en denk te kennen. Ik leg als het ware een sjabloon op de werkelijkheid van mijn omgeving. Ik herken de algemene vorm, beoordeel het razendsnel als een exemplaar van de soort en ga in veel gevallen voorbij aan het specifiek eigene van wat ik zie. Dat is goed te begrijpen en ik houd mezelf voor dat dit heel normaal is. Je hoofd zou overlopen als je alles als uniek zou gaan zien. Daarom volsta ik met een globalere aanduiding van wat ik (her)ken: boom, man, struik, insect... I…