Doorgaan naar hoofdcontent

Jacob Obrecht, een boeiende componist (4)


Antwerpen in de Middeleeuwen
Bij Obrecht kan de cantus firmus in principe in elke stem voorkomen, maar in de meeste gevallen wordt de tenor bevoorrecht. Bij driestemmige zettingen geeft Obrecht er de voorkeur aan de cantus firmus in één van de buitenstemmen te plaatsen. In de loop van de mis echter kan de cantus firmus ook verdeeld worden over de verschillende stemmen. Deze onconventionele manier van componeren is een aanduiding van het streven naar gelijkwaardigheid van alle stemmen dat ook opvallend tot uiting komt in de imitatie.
Volgens Obrecht-kenner Maria Kyriazis stammen de imitatiemotieven bij Obrecht vaak af van de cantus firmus en vallen deze imitaties bij hem in het algemeen geheel of gedeeltelijk in de pauzes van de cantus firmus. Dit zou inhouden dat de cantus firmus bijna voortdurend aanwezig is, ook daar waar de (eigenlijk) cantus firmus-dragende stem is opgehouden. Kyriazis komt tot de conclusie dat de betekenis van de cantus firmus niet alleen kan worden afgeleid uit datgene wat in de cantus firmus-dragende stem verschijnt. In tegenstelling tot de vroegere cantus firmus-technieken laat Obrecht de verwerking van de overgenomen melodie ook in de overige stemmen op vrije wijze plaatsvinden.
Jacob Obrecht gaf er de voorkeur aan om dicht bij het geleende materiaal te blijven. Het origineel was voor hem erg belangrijk. Daarom wijzigde hij niets tot zeer weinig aan de cantus firmus. Wel laat hij de cantus firmus vaak aanleiding zijn tot bron van imitatie en materiaalverschaffing voor de andere stemmen. Hoewel Obrecht zich aan de hoofdregels van zijn voorgangers hield, verwerkte hij deze voorbeelden op een persoonlijke en originele manier. Wat opvalt in de missen van Obrecht is dat in het kyrie al duidelijk wordt naar welke wetmatigheden de cantus firmus in de betreffende compositie is gebruikt.
In de Missa “Maria Zart” heeft Obrecht gebruik gemaakt van een “brokstuk-“techniek. De originele melodie komt niet als gesloten geheel in de tenor voor, maar is opgedeeld in langere of kortere delen die een zelfstandig bestaan leiden. Obrecht heeft deze techniek als eerste consequent in de mis toegepast. Om het gevaar van verbrokkeling tegen te gaan plaatst Obrecht de gehele melodie bij tijd en wijle tussen of aan het einde van de delen met de brokstuktechniek. Hij streeft naar een zo groot mogelijke samenhang tussen de cantus firmus en de originale melodie. Zo is er slechts zelden sprake van verandering van de volgorde van de motieven.
De cantus firmus kan bij Obrecht op verschillende manieren worden veranderd:
  • De ritmische aspecten van de cantus firmus kunnen worden veranderd;
  • De cantus firmus kan worden getransponeerd (in kwint- of kwartrelatie);
  • De cantus firmus kan worden omspeeld, waarbij opvalt dat bij Obrecht geen omspelingen voorkomen bij het begin van de originele melodie.

Complicaties als spiegel- of kreeftcanon zijn bij Obrecht uitgesloten. Bij hem komt wel de normale, “rechte” canon voor: de deelnemende stemmen imiteren elkaar zonder wezenlijke verandering van de melodie. Dit feit toont aan dat in de missen van Obrecht de tendenzen tot zuivering en duidelijkheid van de polyfonie onder invloed staan van het humanisme.
Kenmerkend voor Obrechts componeerwijze zijn de ostinaat en de sequens. Beide kunnen van de cantus firmus afgeleid zijn, maar dit ook vaak niet het geval. Als de cantus firmus deelneemt, vormt deze de rustig voortschrijdende basis en een voorbeeld voor de andere stemmen. De cadens gebruikt Obrecht vaak om het begin of het einde van de cantus firmus als belangrijke gebeurtenis te markeren.
De cantus firmus krijgt bij Obrecht dus een grote rol als eenheidscheppend materiaal. Uitgaande van de techniek van het herhalen van een volledige cantus firmus bereidt Obrecht via een aantal tussenstadia samen met Josquin de weg voor tot het volledig loslaten van de cantus firmus. Tevens wordt bij Obrecht de eerste aanzet gegeven tot doorimitatie, een techniek die bij Josquin als principe volledig tot ontwikkeling wordt gebracht. Enerzijds blijft Obrecht traditioneel bezig, anderzijds is hij één van de grondleggers van een nieuwe ontwikkeling.

Reacties

Populaire posts van deze blog

Nikkers en negers in kinderboekjes

Bij het opruimen van onze "rommel" kamer vond ik tussen mijn oude kinderboeken een typisch 60-er jaren boekje: Oki en Doki bij de nikkers door Henri Arnoldus (1919-2002) en Carel Willem (Carol) Voges (1925-2001). Het zijn de kinderboekjes waarmee mijn generatie is opgevoed en die mijn leeftijdgenoten bekend moeten voorkomen.

Nee, de negers slapen niet.
"Jammer, dat de blanke mensen niet op ons eiland komen, anders..."
"Anders aten we ze op!" roepen de negers, die rond de hut van het opperhoofd zitten. "Blanke mensen smaken fijn," zegt het opperhoofd. Hij likt zijn lippen eens af.

Het is het tijdperk van de Bimbo-box, die ik in mijn blog Achter de feiten aan al eens vermeldde. Het is om je wild voor te schamen. Het is pas 50 jaar geleden dat dit soort boekjes bon ton waren. Godfried Bomans (1913-1971) schreef De Avonturen van Pa Pinkelman en ook deze boekjes werden geïllustreerd door Carol Voges. Er was sprake van een mateloze onnozelheid, onwetendh…

Speelt mijn linde, zingt de nachtegaal.

Gisteren waren de kinderen met de kleinkinderen op bezoek. Het was mooi weer en het is dan fijn om met zijn allen bijeen te zijn. De kleinkinderen claimen al onze aandacht; de jongsten, Floris en Reinout, omdat ze zo jong zijn en nog verzorging behoeven, Olivia omdat ze als driejarige de wereld aan het verkennen is. Elke leeftijd heeft zijn charme, maar de wereld van een driejarige vind ik wel erg boeiend om als bompa mee te mogen maken.

De taalontwikkeling van de driejarige Olivia gaat met sprongen vooruit. Ze spreekt in hele zinnen, vraagt voortdurend 'Waarom?' en je merkt aan alles dat zo'n kind de wereld aan het ontdekken is. Het kind heeft oog voor zaken waar wij als volwassenen allang blasé aan voorbijgaan. De aanwezigheid van een driejarige in je omgeving maakt dat je zelf de wereld ook weer met andere ogen beziet. De sprookjesachtige wereld van plant en dier, mens en omgeving, openbaren zich in alle luister aan wie er oog voor heeft. Olivia helpt mij de wereld weer …

God bestaat, Hij woont in Brussel.

Gisteravond heb ik een prachtige film bekeken: Le Tout Nouveau Testament, een film van schrijver Thomas Gunzig en cineast Jaco Van Dormael. God bestaat in deze film en Hij bewoont samen met Zijn vrouw en Zijn dochter Ea (verwijzing naar de Evangelische Alliantie?) een bedompt appartement zonder deuren naar de buitenwereld in een hoge flat in Brussel. Deze tirannieke en verknipte persoonlijkheid in zijn badjas terroriseert Zijn gezin en sluit zich op in Zijn geheime werkkamer waar hij op Zijn computer met sadistisch genoegen en uit verveling wetten uitschrijft die de mensheid moeten kwellen met allerlei groot en klein leed. Hij is anders dan Zijn weggelopen zoon J.C., die het volgens Hem te bont heeft gemaakt en naar Gods zeggen maar wat geïmproviseerd heeft. Zijn vrouw laat alles gedwee over zich heen gaan en Zijn dochter Ea komt voor de mensen op; zij hackt Zijn computer, maakt aan alle mensen via SMS hun sterfdatum bekend en loopt weg van huis. Zij daalt via een tunnel in de wasmach…